Wander Slomp te Gieten 0592-262330


De naaste buren losten ook de familie af bij het waken aan het sterfbed. In de 16e
en 17e eeuw werd er tot op de dag van de begrafenis bij de dode gewaakt. Nog in 1660
ageerde de Drentse Synode hiertegen, omdat het een gebruik was van vóórchristelijke
oorsprong. Tijdens de dodenwake werden kaarsen gebrand tot afweer van boze geesten.
In 1730 werd in de laatste Drentse Kerkenorde gedreigd met kerkelijke censuur in
geval van 'superstitiën omtrent verstorvene ligchamen en op begrafenissen'. Vaak
was sterke drank in ruime mate aanwezig als afweer tegen de 'doodsbacillen'.
Afleggen.
Buren zorgden ook voor het afleggen van de dode. Vooraf dronken ze een borrel. Het
doodgoed, dat opgevouwen en met een zwart lint omwikkeld in het kabinet lag, werd
te voorschijn gehaald. Het werd ook het
henneklied genoemd, afkomstig van hunne of
hinna, wat gestorvene, dode of geest betekent. Het doodslaken werd met een speciaal
daarvoor meegebrachte naald en wit garen in elkaar gezet. Naald en draad werden in
de kolk gegooid, want niemand mocht nog ooit daarvan bedienen. Als het doodshemd
te lang was, werd het teruggeslagen, zodat de voeten van de overledene bloot kwamen.
De dode zou anders op de Dag der Opstanding, als hij Jezus tegemoet ging, struikelen
over zijn kleed. Nog in 1964 gebeurde dit in Roden, evenals het leggen van de haarkam,
waarmee de dode voor het laatst was gekamd, aan de linkerzijde van het hoofdkussen
in de kist. Ook het mes, waarmee de dode voor het laatst was geschoren, werd meegegeven,
omdat men bang was dat de dood verspreidende kracht hierop zou overgaan. De overledene
werd opgebaard in de met nieuw stro gevulde bedstee, waarvan de beide luiken werden
gesloten.
Huusholdplaanken. De dorpstimmerman kreeg opdracht om van de in het sterfhuis
op de hilde aanwezige huusholdplaanken een doodkist of doodvat te maken. Het doodgoed
en de huusholdplaanken vormden het eerste onderdeel van het huisraad van ieder jonggehuwd
stel. Men zorgde dat er steeds voldoende kistenholt was: planken afkomstig van stoere
eiken, die groeiden op het eigen erf. Het was voor een Drentse boer een eer om na
zijn sterven te liggen in zien eigen holt. In de loop van de dag of 's avonds in
het donker werd de kist bij de timmerman opgehaald. Deze was geheel zwart geverfd
of geteerd en had ijzeren hengsels. Op de bodem kwam een laag stro. Na het drinken
van een borrel werd de overledene gekist.
Rouwlaken. Over het nog los liggende deksel
kwam het zwarte rouwlaken van de diaconie. In Borger waren drie rouwlakens beschikbaar.
Voor het eerste van de beste stof ontving de diaconie vijf gulden huur voor elke
begrafenis, voor het tweede lijklaken drie gulden en voor het derde, bestemd voor
de mindere man anderhalve gulden Ook de hervormde kerk in Zweeloo had drie lijklakens:
één voor de beter gesitueerden en één voor de arbeider. Het derde en kleinere kleed
was voor kinderen. De gereformeerden daarentegen hadden maar één kleed. In Annerveen
vonden de arbeiders, dat voor het laken van de diaconie teveel betaald moest worden.
Op hun voorstel besloot 'de boer', vastgelegd in een willekeur, om zelf een laken
ter beschikking te stellen. De boeren leverden een vrijwillige bijdrage om de aankoop
van het laken mogelijk te maken.
Verluun. Op de eerste ochtend na het overlijden
gingen twee buren de overledene verluiden of verluun. Begonnen werd met het aanslaan
of kleppen met de klepel tegen de klok, waardoor men kon horen of er een man, een
vrouw, een kind of een volwassene was heengegaan. Na het kleppen werd er langdurig
geluid om duivels op de vlucht te jagen.
Aanzeggen. Een groeveceel werd aangelegd,
een lijst van mensen aan wie het overlijden aangezegd moest worden. Dit gebeurde
door de
groeveneuger of leedaanzegger. Na 1880, toen steeds meer de post gebruikt
werd voor het overlijdensbericht, verdween deze uit het straatbeeld.
Ook aan de bijen.
Als een imker of bijker (bijenhouder) was overleden, dan werd dit niet alleen aan
de familie en buren aangezegd, maar ook aan de bijen. Een naaste bloedverwant of
buurman ging blootshoofds naar de bijenstal. Hij klopte drie keer op elke korf en
zei hardop: De weduwe (of kiender) van ... lat (of: laot) oe bekend maken dat heur
man (of: heur vaor) overleden is. Zou men dit nalaten, dan was men bang dat de bijenkolonies
zouden sterven als het de man betrof, of wegvliegen wanneer het de vrouw aanging.
Ook was men bang dat de bijen dan de weduwe of de erfgenamen van de gestorvene niet
als hun nieuwe meesteres of 'heerschap' zouden erkennen. De iemen (bijen) zouden
dan binnen enkele dagen de iemenhuve (bijenkorf) verlaten, om een nieuwe meester
op te zoeken. Het aanzeggen van de bijen kwam voor in Hoogeveen, Meppel, Ruinerwold
en in dorpen op de Hondsrug. Op bijenmarkten moest men bij handslag bevestigen, dat
aan het volk de dood was aangezegd.
Luiken gesloten. Van het huis waarin een overledene
was, werd van één van de ramen één luik uit de hengsels gelicht en op straat tegen
de muur geplaatst. Het andere luik en ook de andere luiken van het huis werden gesloten.
Bij familieleden in het dorp werden naar de graad der verwantschap beide of één der
luiken op de grond gezet. In Hoogeveen spande men, nog tot na de laatste oorlog,
vaak bij een sterfgeval in huis, een laken voor de ramen. Dat bleef daar hangen tot
na de begrafenis. Bij de buren aan weerskanten, enkele huizen ver, werd dan een zakdoek
bevestigd aan de gordijnen, naar de kant van het sterfhuis. Ook in Zuidwolde werden
witte lakens voor de ramen gehangen. Bij familie in de tweede graad werden de luiken
of blinden uit de hengen gelicht en op de zijkant gelegd onder de ramen tegen de
voorgevel.
Blienden ofleggen is niet zo slim as witte lakens veur 't raam. Bij blienden
is 't wat wieder terugge.
Uitvaart. Vooraf aan de begrafenis was de spiegel 'verhangen'
(bedekt met een witte doek). De stoel van de overledene werd omver gegooid. Het stro
uit de beddestee, waarin de dode was gestorven of had geslapen werd, op enkele handen
vol na, weggenomen. De waskom werd stuk gegooid, de klok stil gezet (de overledene
wist immers van geen tijd meer) en de blinden werden gesloten. Voordat de kist werd
dicht gespijkerd (in latere tijden dicht geschroefd) nam ieder voorgoed afscheid
door de dode een hand te geven. Bij het uitdragen van de kist door acht mannelijke
buren werd er op gelet dat de overledene met zijn voeten vooruit het huis uitging.
In sommige plaatsen werd de kist eerst rond het sterfhuis gedragen. Daarna werd deze
geplaatst op een boerenwagen, bespannen met twee niet-drachtige paarden. De twee
naaste vrouwelijke bloedverwanten van de overledene namen plaats op de kist of op
een zitbankje, dat over het voeteneind van de kist was geplaatst. Zij droegen een
lange zwarte rouwmantel om het hoofd, even groot als het laken over de kist. Een
zwangere vrouw mocht niet op de kist zitten, want dood en nieuw leven hoorden niet
bij elkaar. In sommige gedeelten van Drenthe bedekte men bij het begraven van overleden
bruidegoms, bruiden en kraamvrouwen 'met derzelver pasgeboren kinderen' de kist niet
met een zwart lijkkleed, maar met een wit. De voerman mocht niet omkijken. Deed hij
dat toch, dan kwam de gestorvene als geest terug en zou deze geen rust vinden. Over
een speciale weg, de reeweg of dodenweg, ging men naar het kerkhof. Als de stoet
vertrok, kregen de paarden een paar handen brandend stro voor de voeten gegooid.
Dit stro was het laatste waarop de overledene had gerust. Als de stoet op een bepaald
punt was, meestal in het zicht van de kerk, werden de klokken geluid. Na aankomst
werd in enkele plaatsen driemaal rond de begraafplaats gelopen: in de naam van de
Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Na het sluiten van het graf sprak de predikant
zijn lijkrede uit. Direct na de Hervorming werd er tegen het houden van lijkreden
opgetreden. Op de terugweg werd het stro waarop de kist had gestaan, van de lijkwagen
geworpen, zodra men de grens van dorp of buurtschap passeerde. Dit moest want anders
zou de geest toch terug kunnen komen. Al deze gebruiken gingen terug op magische
handelingen, sporen van heel oud geloof uit de vóór-christelijke tijd.
Groevemaal.
Aan de aanwezigen werd een overvloedige begrafenismaaltijd voorgezet. Vroeger sprak
men van een dood-, groeve- of leedbier. Hiervoor werd speciaal bier gebrouwen, dat
aan tafel met milde hand werd geschonken. In 1623 klaagden de predikanten bij Ridderschap
en Eigenerfden over de zedeloze overdaad bij begrafenissen. Besloten werd toen tot
geleidelijke afschaffing van de 'Uuytingen offte Groeffbieren'. Er mocht voortaan
niet meer dan één vat bier per begrafenis worden geschonken. Ingrediënten van het
groevemaal waren o.a. rijst, aardappels, schinke, erwten en stokvis. Bij het roeren
van de rijstebrij werd een één meter lange houten lepel gebruikt (Ruinerwold), die
van de ene begrafenis naar de andere ging en als gemeenschappelijk eigendom van de
buurt werd beschouwd. Het groevemaal ontaardde vaak in een bras- en smulpartij. Tussen
1860 en 1880 werd in vrijwel alle dorpen en buurtschappen de warme begrafenismaaltijd
vervangen door een eenvoudige boterham met koffie
Rouwtijd. De rouwtijd werd bepaald
naar de graad van verwantschap met de overledene. Voor ouders en kinderen en voor
echtgenoten was dit een jaar en zes weken; voor broers en zusters een half jaar,
voor ooms en tantes drie maanden en voor neven en nichten zes weken. Mannen droegen
in de rouwtijd een zwarte lakense jas en vest en een hoge hoed, die met zwarte zijde
of andere stof was omgeven. Op de eerste zondagen na het overlijden kwamen de mannen
met die hoed op naar de kerk. Mannen die minder na in de familie waren, droegen op
de begrafenis en op de eerste zondagen daarna aan de linker kant van hun pet een
zwarte kokarde. Vrouwen verschenen in het zwart. Boven het oorijzer droegen ze een
hoed, die met zwarte stof was over trokken evenals de stiften van de oorijzers. Tegen
het eind van de 19e eeuw verslapte het in acht nemen van de rouwtijd. Het eerst bij
de arbeiders, later ook bij de landbouwers. Rooms-katholieke begrafenisgebruiken.
Herinneringen aan vóór-reformatorische specifieke rooms-katholieke uitvaartrituelen
(vóór 1600) zijn er niet meer. In de 19e eeuw paste men zich aan bij de rituelen
zoals die in andere provincies gangbaar waren. De priester diende aan de stervende
het Heilig Oliesel toe. Na het overlijden werd rond de overledene de rozenkrans gebeden.
's Avonds was er een avond-wake bij de overledene, waarbij door familie, buren en
vrienden de hele rozenkrans hardop werd gebeden. Rooms-katholieken werden begraven
in gewijde aarde op een speciaal omheind gedeelte van de begraafplaats. De stoet
ging van het sterfhuis regelrecht naar de kerk, waar de dode met de voeten naar het
altaar werd opgebaard. Rond de baar werden en worden kaarsen geplaatst en er werd
een rouw- of requiemmis opgedragen. De kist werd met wijwater besprenkeld als symbool
van het doopwater en het water waar mee men het kruisteken maakte, als men de kerk
binnenkwam. Alle aanwezigen kregen ter herinnering aan de overledene een bidprentje
uitgereikt. Vroeger werden achterop bijbelse verwijzingen vermeld, later vaak enkele
persoonlijke gegevens.
Op de voorkant stonden vroeger afbeeldingen van heiligen,
later ook wel een portret van de gestorvene.